Terugblik bijeenkomst A16 Van Brienenoordcorridor

Meedenken en meedoen in de MIRT-verkenningi kan onder andere in participatiegroepen. Elke deelstudie heeft een participatiegroep. Jan Grevink is deelnemer aan de participatiegroep voor de deelstudie A16 Van Brienenoordcorridori. Als voormalig stedenbouwkundige en MER-adviseur draagt hij met zijn kennis een aardig steentje bij in de participatiegroep.

Door zijn vakkennis is Jan erg nieuwsgierig naar het traject. Ook doet hij mee, omdat hij het groen in de stad wil behouden. “Ik woon in De Esch en ben secretaris van de stichting Oude Plantage. Elke dag geniet ik van het eeuwenoude park in mijn wijk. Dat wil ik graag zo houden.”

Oplossingen

Hoewel zijn overgrootvader eigenhandig aan de eerste maasbruggen bouwde, is Jan geen voorstander van een brug als nieuwe oeververbinding. Hij vreest voor een brug die naar zijn idee voor veel verkeersoverlast en geluidshinder kan zorgen in de wijk De Esch. Zijn voorkeur gaat dan ook uit naar een tunnel als oeververbinding.

Jan ziet andere oplossingen dan alleen een nieuwe oeververbinding als het gaat over de doorstroming van het verkeer in en rond Rotterdam. Bijvoorbeeld op de Van Brienenoordcorridor “Mijn hoop is gevestigd op het vergroten van capaciteit op de Van Brienenoordcorridor. Dus ervoor zorgen dat je op de corridor meer verkeer aankan door de aanleg van extra rijstroken. Ook moet naar mijn idee het Kralingseplein op de schop. De stoplichten zouden wat hem betreft moeten verdwijnen en er zou een aparte afslag naar de Algeracorridori moeten komen. Daarmee kunnen we de doorstroming verbeteren”, pleit Jan.

Verkeer in beide richtingen op de A16, vlak voor de van Brienenoordbrug

Fysieke en digitale bijeenkomsten

Zijn visie op de maatregelen en specifiek op die van de Van Brienenoordcorridor deelt hij in de bijeenkomsten van de participatiegroep. De eerste bijeenkomst was fysiek en de laatste van vorig jaar, op 15 december, was vanwege de coronamaatregelen digitaal. “Dat is toch heel anders, zo’n digitale bijeenkomst. Er zijn dan meer luisteraars en er wordt minder actief gereageerd. Er is een moderator en een presentator. Aan de hand van presentaties kan je dan reageren. Maar zo afhankelijk zijn van digitale techniek, daar word ik een beetje kriegel van”, zegt Jan.

De fysieke bijeenkomsten hebben dus Jans voorkeur. “Het is makkelijker om vragen te stellen, even met elkaar te sparren en je ziet sneller hoe iemand denkt over bepaalde dingen. Je kan veel aflezen aan iemands fysieke houding en gedrag.”

Tijdens de bijeenkomsten wordt gesproken over de aanpak, de stappen die genomen worden, wat er onderzocht gaat worden en hoe dat onderzoek wordt uitgevoerd. Ook worden er tussentijdse resultaten uit onderzoeken gedeeld en vragen beantwoord. “Daarna ga je in subgroepen per thema verder, denk bijvoorbeeld aan het thema ‘aansluitingen’ of ‘gebiedskenmerken’.”

Tekeningen

Aan de hand van tekeningen bespreken de deelnemers de mogelijkheden en dragen soms nieuwe ideeën aan. “We praten nog niet over cijfers of geluidsniveaus, maar wel over de aandachtspunten op de corridor. Waar moet je op letten, waar knelt het en wat zijn mogelijke oplossingen binnen de kansrijke alternatieven?”

Jan is erg te spreken over de participatiegroepen. “Ik voel me gehoord en de onderlinge relaties zijn goed. We worden steeds meer een soort team. We leren elkaar beter kennen en raken op elkaar ingespeeld.”

De oud-stedenbouwkundige hoopt dat er nog meer aandacht komt voor het milieu in de onderzoeken. “Onze taak is om daarnaar te vragen, zodat het niet onder tafel verdwijnt.” Ook is Jan benieuwd hoe de inbreng van alle deelnemers wordt meegenomen in het uiteindelijke besluit over de maatregelen. Tot slot heeft de Rotterdammer zijn hoop gevestigd op het hoogwaardig openbaar vervoer in de stad. “Als we daarop inzetten, samen met goede P+R plekken (transferia) zoals bij Kralingse Zoom, dan los je veel knelpunten op.”